:: ARTIKELS ::
DVDInfo.be >> Artikel >> Achtergrond >> STANLEY KUBRICK - DOOD VAN EEN GOD
STANLEY KUBRICK - DOOD VAN EEN GOD
Type: Achtergrond - Datum: 1999-03-14 - Geplaatst door: Jo
Op zondag 7 maart 1999 is de filmwereld opnieuw een beetje wees geworden. Totaal onverwacht verwisselde Stanley Kubrick zijn aanspreektitel 'Levende Legende' in voor 'Legendarisch Genie', door op 70-jarige leeftijd zijn regisseursmegafoon voorgoed neer te leggen. Met als enige troost een erfenis vol klassiekers.

Anyone who has ever been privileged to direct a film also knows that, although it can be like trying to write War and Peace in a bumper car in an amusement park, when you finally get it right, there are not many joys in life that can equal the feeling. - Stanley Kubrick bij het in ontvangst nemen van de D.W. Griffith Award van de Directors Guild of America in 1997.


Met de dood van Stanley Kubrick is één van de laatste filmgoden heengegaan. En meteen ook één van de weinigen die met recht en reden tot genie werd gekroond. De visionair Kubrick wist immers als geen ander nieuwe en boeiende cinema te brengen die niet alleen het publiek maar ook (en vooral) de critici in twee kampen verdeelde. Volgens de één was hij een koele observator die meer geïnteresseerd was in de techniek van het filmmaken, en zijn acteurs en actrices gevoelloos liet ronddwalen in languitgesponnen scènes, volgens de andere wist hij als geen ander de techniek volledig naar zijn hand te zetten om ons zo onder te dompelen in een visuele ervaring die na herhaaldelijke visies aan kracht blijft winnen. Nooit eenvoudig, nooit gebruikmakend van platcommerciële toegiften om het grote publiek te behagen. Maar koppig als geen ander in het nastreven van zijn visie.

Een artiest dus wiens werk kapotgeanalyseerd is, waarbij bepaalde elementen in de argumentenlijst van voor- en tegenstanders perfect gebruikt worden om de respectievelijke stellingen rond de man te staven. Zo is zijn obsessie met het de-humaniserend effect dat de maatschappij op de mens heeft voor de één een aangrijpende constante in zijn werk, voor de ander is het zijn grootste fout. Maar over één zaak is iedereen het eens: Kubrick was een door film geobsedeerde, teruggetrokken controlefreak.

Teruggetrokken in zijn huis in Hertfordshire (nabij Londen) liet hij zich omringen met de laatste technologische hoogstandjes op video- en filmgebied. Zelf was hij één van de eersten die inzag dat monteren met de computer dé toekomst was, en naar verluidt liet hij heel wat demomateriaal bij zich opstellen, zonder ervoor te betalen. De firma's konden echter wel een uitgebreide analyse van hun materiaal verwachten, met een lijst vol suggesties. Bij Kubrick stond alles immers in dienst van dat ene perfecte beeld dat hij wilde vastleggen op pelicule. Op zijn aanwijzingen werden speciale lenzen samengeslepen, en als één van de eerste gebruikte hij (volgens sommigen tot vervelens toe) de steadicam. En ook zijn acteurs en actrices moesten zich neerleggen bij zijn obsessionele queeste naar dat ene shot. Al waren daar meer dan honderd takes voor nodig. Volgens de legende vroeg hij op de set van zijn Vietnam-oorlogsfilm vrijwilligers om vroeg in de film te sterven. Bijna de volledige cast stak z'n hand op. De man die werd uitgekozen mocht daarna nog drie maanden als lijk in de modder blijven liggen. In dienst van de kunst. In dienst van de meester.

Stanley Kubrick werd op 26 juli 1928 geboren in de Bronx (New York), waar hij tot 1940 zou blijven. Bezorgd om zijn slechte schoolresultaten, en overtuigd van zijn intelligentie stuurde zijn vader hem voor een jaar naar Californië in de hoop dat de andere omgeving hem goed zou doen. Toen Kubrick een jaar later terugkwam leek er echter geen merkbare vooruitgang in het gedrag van zijn zoon, tot hij hem zijn eigen passie probeerde bij te brengen: schaken. Stanley Kubrick werd een gepassioneerd schaker. De grote ommekeer kwam er echter op zijn 13e verjaardag. Van zijn vader krijgt de kleine Stanley een fototoestel. Al snel begint hij New York af te speuren naar perfecte beelden, om die dan in een donkere kamer bij een vriend te ontwikkelen. Hij wordt fotograaf bij de schoolkrant, maar maakt zijn eerste professionele doorbraak wanneer hij een foto weet te verkopen aan het tijdschrift Look. Op zeventienjarige leeftijd wordt hij door het blad als leerling-fotograaf aanvaard, en zou er tot 1950 opgroeien tot één van de belangrijke Amerikaanse magazinefotografen.


Intussen was Kubrick ook geobsedeerd geraakt door film. Al snel zat hij vijf dagen per week naar oude films te kijken, onder meer in het Museum of Modern Art, en was niet te beroerd om heel New York af te reizen om toch maar een bepaalde film op het grote scherm te kunnen zien. Later zou hij beweren dat het de beste regisseurstraining was die hij had kunnen krijgen. Zijn enige academische filmopleiding bestond immers slechts in het bestuderen van Pudovkin's Film Technique. Samen met een vriend besloot hij zijn kans te wagen in de filmwereld en met een gehuurde 35mm camera maakte hij de 16 minuten lange documentaire Day of the Fight (1950). Hierin volgt Kubrick de de laatste uren voor het gevecht van bokser Walter Cartier. De film was gebaseerd op een foto die hijzelf ooit voor Look had gemaakt. Hij wist de prent aan RKO te verkopen met een kleine winstmarge (100 tot 200 dollar, afhankelijk van de bron). Deze eerste poging werd gevolgd door de documentaires Flying Padre (1951) en The Seafarers (1952).

In 1953 maakte hij dan zijn eigenlijk filmdebuut: Fear and Desire, waarbij hij voor het eerst de moraliteit van de oorlog als thema aanvoer. Het zou een steeds terugkerend thema zijn in zijn oeuvre. In de cast vinden we ondermeer toekomstig filmregisseur Paul Mazursky terug. Voor Kubrick werd het een pijnlijke ervaring: de film bleek geen succes te zijn, en tijdens de productie ervan liep ook zijn eerste huwelijk met Toba Metz op de klippen. Zijn misprijzen voor zijn eigen film was zo groot dat hij er alle moeite voor deed om alle kopieën van de film zelf op te kopen, zodat niemand zijn mislukking nog kon aanschouwen. Het succes van zijn volgende film, de thriller Killer's Kiss (1955) zorgde ervoor dat hij zijn talenten echt kon tentoonspreiden in The Killing (1956). In amper 20 dagen ingeblikt is de 300.000 dollar kostende The Killing een meesterlijk gestructureerde thriller rond een ingenieus geplande overval op een racebaan. De complexe flash forward en backward structuur zorgt voor een uitermate spannende parel met Sterling Hayden in de hoofdrol. Volgens bepaalde critici was in The Killing reeds de typische Kubrick-stempel te zien die volgens hen één van de grote zwakten was van de meester: de koele benadering van Kubrick, waardoor de toeschouwer de kans niet krijgt om een zekere (noodzakelijke) sympathie te krijgen voor de personages.

The Killing was echter wel de toegangspoort naar zijn eerste echte grote meesterwerk: Paths of Glory (1957) met Kirk Douglas in de hoofdrol. De film wordt nu nog steeds beschouwd als één van de belangrijkste filmpamfletten tegen de oorlog. Historici zijn het niet helemaal eens over de correctheid van Kubrick's oorlogsaanklacht, wat echter niets afdoet aan de kracht van de film. De voor iets minder dan 1 miljoen dollar gefilmde adaptatie van het (op ware feiten gebaseerde) boek van Humphrey Cobb zorgde bij de release voor heel wat controverse. De film werd dan ook jarenlang verboden in Frankrijk. Kubrick trouwde later met Suzanne Christiane, de vrouw die op het einde van de film zingt. Het zou meteen ook zijn derde huwelijk worden nadat ook zijn verbintenis met Ruth Sobotka na amper vier jaar op de klippen liep.

Twee jaar laterf werd Kubrick door proucent-ster Kirk Douglas overhaald om Anthony Mann te vervangen op de set van de 12 miljoen dollar kostende Spartacus. Kubrick werd meteen de jongste regisseur die een dergelijke superproductie in goede banen moest leiden. De film werd gedraaid in het nieuwe Super Technirama-formaat (70mm), en was meteen ook zijn eerste kleurenfilm. De film werd algemeen ontvangen als de beste (Romeinse) spektakelfilm, niet alleen voor de indrukwekkende scope van de productie. Eén van de meest indrukwekkende sequenties krijgen we pas tegen het einde van de film te zien, wanneer Spartacus met zijn slavenleger het onderspit moet delven tegen de Romeinse legioenen. Van de 167 draaidagen besteedde Kurbrick zes weken aan de choreografie van de 8500 extra's, alsof het een schaakspel betrof. Wegens te geweldig werden een aantal scènes uit dat gevecht door de censorschaar verwijderd. Toen de film 7 jaar later opnieuw werd uitgebracht werd nog maar eens 22 minuten uit de film geknipt. Pas met de gerestaureerde versie uit 1991 kregen we de visie van Kubrick opnieuw te zien. Berucht is natuurlijk de verleidingsscène tussen Marcus Licinius (een meesterlijk boosaardige Laurence Olivier) en Antonius (Tony Curtis), waarbij Marcus Licinius tijdens een badscène in weinig verdoken bewoording kenbaar maakt dat hij graag van beide walletjes eet. Kubrick zelf was helemaal niet tevreden met de film, enerzijds omdat hij het script te moraliserend vond, maar vooral omdat hij de totale controle over de film niet kreeg (alhoewel hij duidelijk zijn technische standaarden wist op te leggen). Tot grote ergernis trouwens van Director of Photography Russell Metty die van Kubrick gewoon op zijn stoel moest blijven zitten. Ironisch genoeg kreeg Metty een Oscar voor Spartacus. Het zou dan ook de laatste film worden waar hij zonder totale controle aan begon. Vanaf nu zou hij alle touwtjes in handen blijven houden, van het script, de regie tot en met de kleur van de advertenties. De controlefreak Kubrick was geboren.

Oorspronkelijk had hij Marlon Brando moeten regisseren in One Eyed Jacks (1961), maar nadat die zelf de regiestoel in beslag had genomen, vertrok Kubrick naar Engeland om het amper nog te verlaten. Hij begon er meteen aan de ophefmakende roman Lolita van Vladimir Nabokov. Laurence Olivier bedankte vriendelijk voor de rol van kinderliefhebber Humbert Humbert, en uiteindelijk was het James Mason die alle moeite deed om de censuur voor te zijn. Ook Peter Sellers komt hier voor het eerst op de proppen. De film over een man die seksueel geobsedeerd wordt op een 12-jarige matuur meisje kreeg slechts gemengde kritieken. Kubrick zelf zou later klagen dat hij niet genoeg beweegruimte kreeg van de censoren om dieper te graven in de dubieuze relatie van Humbert Humbert en Lolita. Het feit dat men Lolita voor de film twee jaar ouder had moeten maken (om zo de censoren gerust te setllen) was meteen ook één van de grootste kritieken die op de film werden gespuid.


Het bitter cynisme van Lolita boog Kubrick voor zijn volgende film om in pikzwarte humor. Dr. Strangelove or How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb (1964) werd een meesterlijke aanklacht op de waanzin van de mens en de drang om zichzelf te vernietigen. Losjes gebaseerd op het boek Red Alert van Peter George (sommige bronnen citeren ook Two Hours to Doom als inspiratie) creëerde Kubrick een film die perfect balanceert tussen pure kolder en dodelijke ernst. Peter Sellers wist zich met zijn drie onvergetelijke rollen de eeuwigheid in te acteren. Oorspronkelijk had hij vier rollen moeten spelen, maar uiteindelijk ging de rol van Major T.J. King Kong die de doembommenwerper bestuurt naar Slim Pickens. Kubrick gaf hem de opdracht om de rol op een serieuze toon te spelen, wat de zwarte humor enkel maar versterkte. Zijn rodeorit op de dodelijke atoombom die op Rusland wordt gedropt is één van de bekendste beelden uit de filmgeschiedenis.

Oorspronkelijk was Kubrick van plan om het nog gortiger te maken en de film te eindigen met een gigantisch taartengevecht. Vandaar de lange tafel vol met eten in de Oorlogskamer. Opnieuw komt Kubrick naar voor als een pessimistisch iemand die geen vertrouwen heeft in het mensdom, en dus ook zijn publiek niet wil vertroetelen met een happy end. Volgens velen werd hiermee nog maar eens bevestigd dat Kubrick een koele filmer is, volledig verstoken van emoties. Volgens anderen wist hij als geen ander de draak te steken met de wapenwedloop (Sommigen zien in Dr. Strangelove trouwens één grote allegorie op seks).


Het zou uiteindelijk nog vier jaar duren vooraleer Kubrick de film zou maken waarmee hij de eeuwigheid in zou gaan: 2001: A Space Odyssey. Na meer dan drie jaar in de steigers gestaan te hebben zou het een film worden die ook decennia later nog heel wat filmmakers zou inspireren. De film wordt nog steeds beschouwd als de beste sciencefiction film ooit gemaakt, en steekt daarmee ook megasucces Star Wars voorbij. De film was meteen ook een mijlpaal in de effectengeschiedenis. Kubrick kreeg er trouwens een oscar voor alhoewel de echte fx-giganten onder meer Con Pederson en de sindsdien legendarische Douglas Trumbull waren.

Toen de film uitkwam waren de kritieken eerder negatief. Het gebrek aan verhaal en dialoog, en zijn duidelijke voorliefde voor de machines (de computer HAL is het meeste emotionele wezen uit de film) leken zijn imago als koele filmer enkel te versterken. Het publiek hield echter wel van de film (volgens sommigen omdat de hallucinante ervaring van het tweede deel van de film ideaal geschikt was bij een of ander stimulerend middel) die sindsdien uitgroeide tot een ware cultfilm. Na meer dan dertig jaar blijkt de film wetenschappelijk veel accurater te zijn dan pakweg alle andere sciencefiction films samen. Ook het trage tempo, begeleid door klassieke muziek draagt hiertoe bij. De ruimteschepen bewegen in delicate bewegingen. Nooit gehaast, enkel voorzichtig zoals het in realiteit zou gebeuren. De klassieke muziek werd door Kubrick als tijdelijke soundtrack gebruikt, maar kon er na de montage geen afscheid meer van nemen. De speciaal geschreven score van Alex North verdween onherroepelijk in de prullenmand, om pas decennia later in de winkels te liggen.


Kubrick kreeg zware kritiek omwille van de magere verhaallijn. Zich baserend op het korte verhaal The Sentinel (1948) van sciencefiction grootmeester Arthur C. Clark begonnen ze samen (en in parrallel) aan het verhaal te werken. Maar uiteindelijk was het altijd zijn bedoeling geweest om er een visuele ervaring van te maken, zodat het verhaal op de tweede plaats kwam. Velen bleven dan ook na de film met heel wat vragen achter. En het is pas na het lezen van het boek dat een aantal van de mogelijke antwoorden duidelijk worden, en een aantal diepere betekenissen naar boven komen.

Zo wijzen de vele ronde vormen in de film naar de kringloop van het leven, terwijl de rechthoekige vorm van de monolieten (bij de apen, op de maan en in de ruimte) juist die kringloop doorbreekt en telkens een nieuwe mens aankondigt. Bij de apen zorgt hij er bijvoorbeeld voor dat ze beginnen te beseffen dat je wapens kunt creëeren met werktuigen om te moorden (een gedachte die perfect in de pssimistische kijk van Kubrick op de mensheid past: de eerste bewuste gedachte van de mens gaat uit naar moorden en overheersen). De monoliet op de maan zorgt ervoor dat de mens ver buiten zijn horizonten naar ander intellectueel leven gaat zoeken, terwijl de laatste monoliet letterlijk een deur is, een Stargate.

Ook nu weer kan je de film met seksuele beeldspraak interpreteren. Met het ruimteschip dat gedockt wordt als een zaadcel, het ruimtestation als de eicel die bevrucht wordt. Of de Discovery als foetus die het geboortekanaal in de vorm van de monoliet afdaalt.

2001 is uiteindelijk een filosofische beschouwing geworden over de plaats van de mens in het universum, en uiteindelijk is het nooit de bedoeling van Kubrick en Clarke geweest dat het publiek na de film enkel met antwoorden naar huis zou gaan. Integendeel. Ze wilden het publiek uitdagen om verder na te denken. De ironie dat het meest emotioneel karakter de computer HAL is (verschuif elke letter één plaat in het alfabet en je krijgt IBM), moeten we er maar bijnemen. De film werd intussen ontelbare keren geparafraseerd in andere films (denk maar aan de beruchte inbraakscène in Mission: Impossible) en liet ontelbare visuele herinneringen na. De beroemde associatieve cut tussen het been dat omhoog geworpen wordt door een aap en het ruimteschip is hiervan het meest bekende voorbeeld. Het wordt meteen ook de grootste flash forward ooit genoemd. Zo'n 4 miljoen jaar.


Met A Clockwork Orange (1971), gebaseerd op het boek van Anthony Burgess, betrad Kubrick weer zijn vertrouwd terrein: de pessimistische kijk op de maatschappij. Opnieuw was de controverse enorm. Niet alleen (zoals bij Lolita) omwille van de seks, maar vooral omwille van het geweld. Malcom McDowell speelt de jongeling Alex die verzot is op geweld en seks. En de muziek van Ludwig Von Beethoven. Wanneer hij betrapt wordt op moord vliegt hij achter de tralies, maar kan vevroegd vrijkomen nadat hij een experimentele behandeling heeft ondergaan waarbij zijn drang naar geweld al even gewelddadig wordt onderdrukt. Visueel is A Clockwork Orange van een totaal ander gehalte als bijvoorbeeld 2001. De extreme breedhoekopnames, gedrapeerd in onnatuurlijke kleuren en overgoten met contrasterende klassieke muziek zorgen voor een naar de keel grijpende film. Nadat de film geleid zou hebben tot copycatgeweld besloot Kubrick de film in Engeland uit roulatie te nemen, en eiste hij dat de film tot na zijn dood verboden zou zijn. Meteen bewees hij nog maar eens dat hij als geen ander de zwakke punten van de maatschappij wist bloot te leggen.

En alsof hij van plan was om van elk genre even te proeven maakte hij in 1975 het kostuumdrama Barry Lyndon met Ryan O'Neal. In zijn obsessie om met voornamelijk natuurlijk licht te filmen liet hij zelfs speciale lenzen ontwerpen. 300 draaidagen werden uiteindelijk gebruikt om het verhaal in te blikken. Tijdens het filmen in Ierland gebruikte Kubrick Engelse soldaten als extra's. Nadat hij te horen had gekregen dat hij daarom een mogelijk doelwit was geworden van de IRA verhuisde de productie onmiddellijk, en trok Kubrick zich nog meer terug. Het zou uiteindelijk nog vijf jaar duren vooraleer hij zijn volgende film zou maken.


Nadat hij het aanbod om een vervolg te maken op The Exorcist te maken naast zich neer had gelegd besloot hij tot grote verwondering van iedereen om een boek van horror-grootmeester Stephen King te verfilmen: The Shining. Voor de echte King-fans zou het een bittere teleurstelling worden omdat Kubrick belangrijke wijzigingen aan het verhaal had aangebracht. Ook nu weer zit de film vol visuele mijlpalen zoals Jack Nicholson die met zijn bijl Shelly Duvall achterna zit en roept: 'Here's Johnny'. De echte technische doorbraak van de film zou meteen ook het nieuwste speelgoed van Kubrick worden: de steadicam. Deze uitvinding van Garreth Brown laat de camera toe volledig vrij en vloeiend te bewegen zonder daarbij de set te hoeven volleggen met rails. Critici verwijten hem dat hij geen genoeg kon krijgen van zijn nieuw speelgoed, maar uiteindelijk moet iedereen toch toegeven dat de met het systeem opgenomen beelden van de jonge Danny door de gangen van het Overlook hotel uitermate effectief zijn. De detaillistische obsessie van Kubriek is ook nu weer zichtbaar. Het boek dat Jack Torrance volschrijft met het zinnetje: 'All work and no play makes Jack a dull boy' werd op bevel van Kubrick ook daadwerkelijk met die woorden uitgetikt.

Volgens velen was het talent van de meester aan het afbrokkelen. De tussenpauzes werden steeds langer, Kubrick steeds angstvalliger weggeborgen. Pas in 1987 keerde hij terug met Full Metal Jacket, waarin hij nog maar eens zijn favoriete oorlogsthema aanhaalt. De film valt in twee grote delen uiteen, en kan amper een beroep doen op de emotionele betrokkenheid van de toeschouwers omdat Kubrick de twee hoofdpersonages (Vincent D'Onofrio en R. Lee Ermey) uit het eerste deel dat deel niet liet overleven. Het waren meteen ook de twee memorabelste acteerprestaties uit de film. D'Onofrio kwam zelfs een 35 kilo aan, terwijl Ermey een echte drill-instructeur bij de Marine was. Kubrick weigert steevast te vliegen (hij ging naar de première van 2001 per boot, terwijl hij nog verder monteerde), zodat een verlaten fabrieksgebied nabij Londen dienst moest doen als Vietnam. Met een gebrek aan realisme tot gevolg. Uiteindelijk kon de film niet tippen aan het vietnamtrio The Deer Hunter, Apocalypse Now en Platoon.

Sinds Full Metal Jacket was het opvallend stil geworden rond Stanley Kubrick. Nu en dan kwam het gerucht opnieuw naar boven dat hij AI zou maken (zie afzonderlijk artikel op deze site). Het kwam zelfs even in een stroomversnelling terecht toen hij na het bekijken van Jurassic Park eindelijk de technologie op het grote scherm zag waarmee hij zijn droomproject zou kunnen verwezenlijken. Uiteindelijk zou hij in het grootste geheim werken aan Eyes Wide Shut, met Tom Cruise en Nicole Kidman.


De film werd naast de obligate Star Wars: The Phantom Menace als de enige andere must see film van het jaar beschouwd. Nadat hij jaren zijn fans in diepe spanning had laten wachten op zijn nieuw meesterwerk werd zijn dood dan ook door velen als de ultieme wrange grap van de meester beschouwd. Slechts één week voor zijn overlijden werd de film (grotendeels) afgewerkt, en voor het eerst getoond.

Op 70-jarige leeftijd laat Stanley Kubrick een erfenis achter die door weinig zullen geëvenaard worden. Maar alleen al de gedachte aan die andere meesterwerken die hij nog had kunnen maken maakt van elke filmliefhebber een diepbedroefde wees.
(Copyright "movie, de interactieve filmgids" TM. Met toestemming van de auteur gepubliceerd op DVD Info. Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.)

UIT HET ARCHIEF